De gevestigde orde van werknemers

in Uncategorized

Aan de oppervlakte lijkt Nederland een egalitair land met het poldermodel als summum van gelijke behandeling en vredige onderhandeling. Waar in andere landen werknemers nog met regelmaat moeten gaan staken of – in wat meer achtergebleven gebieden – simpelweg worden uitgebuit lijken wij Nederlanders het met onze polderdialoog toch maar mooi voor mekaar te hebben. Maar doordat onze maatschappij nog is ingericht volgens achterhaalde concepten ontwikkelt zich in rap tempo een nieuwe tweedeling. Een tweedeling tussen gevestigde werknemers en de nieuwe aanwas van buitenstaanders die het ‘Zwitserlevengevoel’ van de gevestigde werknemer nooit zullen kennen. Politici klagen graag over topmannen en topsalarissen maar laten deze ondertussen de nieuwe sociaal-economische brandhaard voortwoekeren. Met behulp van de vakbonden nota bene.

In de weekenden werk ik bij een internationaal en hoogstaand technologisch bedrijf. Een groot bedrijf ook, met duizenden werknemers. De afzetmarkt van dit bedrijf is cyclisch, wat zoveel wil zeggen als dat er hoe dan ook een dal komt, hoe hoog de pieken ook mogen zijn. Het bedrijf wil graag voorbereid zijn op deze onvermijdbare toekomstige dip door in haar werknemersbestand een zekere flexibiliteit aan te brengen. Veel nieuwe werknemers – met name bij de minder kennisintensieve arbeidsplaatsen – worden in eerste instantie als uitzendkracht geworven. Daarna krijgen zij vaak tijdelijke detacheringscontracten en wellicht is er aan het einde van de rit een echt degelijk vast contract met het bedrijf zelf. Maar de kans op deze ‘vette worst’ is onberekenbaar omdat het niet alleen van je eigen verdiensten als werknemer afhankelijk is maar ook van de afzetmarkt en het beleid van de afdeling personeelszaken. Daartegenover staan in het bedrijf de ‘gevestigde krachten’. De mensen met een vast en vaak ook lucratief contract. Soms voor bepaalde tijd, vaak ook voor onbepaalde tijd. Hun toekomst bij het bedijf is weliswaar ook in tijden van een dip minder zeker, maar toch altijd nog veel stabieler dan die van hun ‘uitzend-collega’s’ die soms zelfs de dag erop te verstaan kan worden gegeven dat zij niet meer hoeven te komen. Nu is dit natuurlijk een beleid dat het bedrijf zelf in alle vrijheid kan en mag uitstippelen. Maar onze maatschappij doet dit op hoger niveau ook, een onaanvaardbaar gegeven dat bovendien funest kan blijken voor onze economische ontwikkelingen.

Veel huidige deelnemers aan het arbeidsproces kennen nog steeds allerlei riante regelingen. De meest riante regeling die veel werknemers momenteel genieten is een vorm van toekomstzekerheid. Middels zeer langlopende of zelfs onbegrensde contracten weten zij zich van hun baan verzekert. Een luxe! Want daartegenover staan al die uitzendkrachten, gedetacheerden en tijdelijke werknemers (en eigenlijk ook alle zelfstandige ondernemers!) die maar moeten zien hoe zij volgende week, volgende maand of volgend jaar hun boterham verdienen. Dat zijn niet alleen maar jonge mensen zoals ik trouwens. Doordat ook veel oudere werknemers van baan switchten of door reorganisaties hun baan verloren komen ook deze in het kamp van de tijdelijke werknemers terecht. Weg waren opeens hun verworven rechten, weg was hun zekerheid. Opeens hoorden zij niet meer tot de gevestigde werknemers maar tot de buitenstaanders die zich dag in dag uit moeten bewijzen en in economisch mindere tijden moeten knokken voor een baan. En dat doet zeer. Want waarom mogen zoveel anderen wel van al die mooie rechten genieten, en zij niet?

Ik denk dat het electorale success van de SP voor een groot gedeelte te verklaren is door de hierboven geschetse maatschappelijke ontwikkelingen. Vaak worden deze mensen door intellectuelen en hotemetoten afgeschilders als ‘bange mensen’. Bang voor globalisering, bang voor een internationale arbeidsmarkt. Want dat zijn natuurlijk de grondslagen voor deze ontwikkelingen: bedrijven opereren en concurreren meer en meer op een geglobaliseerde werelmarkt en nemen in hun kielzog hun werknemers in deze ontwikkeling mee. Werknemers concurreren hierdoor nu meer dan ooit ook om prijs, vandaar de uitbesteding van werk aan de ‘lage lonen landen’. Maar is het wel terecht al deze burgers als bangerikken af te schilderen? Ik denk het niet, al denk ik wel dat stemmen op de SP een van de meest funeste keuzes is die de werknemer in een globaliserende wereld kan maken. In feite is het geen angst maar een verweer tegen maatschappelijke structuren.

De tredmolen van de verzorgingstaat verplicht ons tot het participeren in allerhande collectieve regelingen. Vakbonden onderhandelen over de arbeidsvoorwaarden terwijl zij slechts een fractie van de beroepsbevolking in hun leden bestand aantreffen. Door al deze ontwikkelingen heeft de werknemer geen kans om zelf te concurreren op prijs voor een arbeidsplaats. Bovendien zorgen de verworven rechten van de gevestigde werknemers voor een slechte doorstroming. Met behulp van de vakbonden verweren zij zich kranig tegen iedere aantasting van deze rechten. Maar de buitenstaanders willen deze rechten ook. Zij worden immers wel gedwongen een maatschappelijk systeem mede in stand te houden dat deze verworven rechten mogelijk maakt, maar zij kunnen er niet van genieten. Daarom stemmen zoveel mensen op een linkse partij als de SP. Hun boodschap is simpel: wij willen die rechten ook!

Maar dat brengt ons op de vraag: zijn deze verworven rechten wel houdbaar? Eigenlijk ligt het antwoord al voor de hand: in de huidige situatie zijn zij dat totaal niet. De afbrokkeling van het systeem is in volle gang, en de batterij aan tijdelijke werknemers is daarvan een bevestiging. Een logisch gevolg van internationale cocurrentie die ook gevolgen heeft op de arbeidsmarkt. De huidige verzorgingstaat in zijn volle omvang en het poldermodel belemmeren echter een succesvolle integratie van de Nederlandse beroepsbevolking op de internationale arbeidsmarkt. Want waar Nederland een achterstand oplopen door gesteggel over verworven rechten verovert de Indiër of de Chinees met gemak nieuwe welvaart. Zij komen immers uit een achterstandspositie en hebben dus niets te verliezen. De rem die de verzorgingstaat – onder luid applaus van de vakbonden – dus op onze economische positie gooit speelt onze concurrenten alleen maar in de kaart. Maar ja, leg dat de werknemer met pensioen in zicht maar eens uit. Politici durven dat al helemaal niet, bang als zij zijn voor een afstraffing bij verkiezingen. Daar kan de PvdA over meepraten na het pensioendebacle van afgelopen verkiezingen.

Betekent dat nu dat wij onvermijdelijk op weg zijn naar een harde samenleving zonder enige vorm van toekomstzekerheid? Welnee, dat hoeft helemaal niet. Het is echter wel tijd om onze huidige verzorginstaat te ontmantelen, zij is immers de wortel van onze toekomstige economische misère. De samenleving is de afgelopen decennia in hard tempo geïndividualiseerd en de collectieve regelingen van de verzorginstaat horen daar niet meer bij. De burgers snakken naar meer eigen verantwoordelijkheid en dus minder paternalistische dwingelandij van overheidswege. Dat drukt de arbeidskosten en op die manier zal de Nederlandse beroepsbevolking makkelijker kunnen concurreren op de internationale arbeidsmarkt. Dat is een gigantische stap voorwaarts; nu moet de beroepbevolking immers vaak weerloos toezien hoe weer een bedrijfsonderdeel naar het buitenland verkast.

Ook is het zaak dat de macht van de vakbonden wordt tegengegaan. Zij spelen immers een dubieuze dubbelrol in deze problematiek. Zij behoren op te komen voor de belangen van de werknemers maar bevorderen maar al te vaak alleen hen met verworven rechten waardoor buitenstaanders moeilijker aan een baan komen. Feitelijk zijn de vakbonden er dus niet voor alle werknemers: zij zijn er alleen voor de gevestigde werknemers. De rest zoekt het maar lekker uit of moet het doen met een of andere karige uitkering. Aangezien de vakbonden maar een kleine minderheid van de beroepsbevolking vertegenwoordigen en er bovendien totaal niet in lijken te slagen om jonge werknemers aan zich te binden lijkt hun rol uitgespeeld. De politiek moet nu dus maar eens de genadeklap toedienen en het niet meer toestaan dat CAO’s na onderhandelingen met de vakbonden nog algemeen verbindend worden verklaart. Het geeft de vakbonden immers veel meer macht dat hen toe dient te komen. Die macht behoort toe aan de inviduele werknemer, niet aan de collectivische vakbond.

Ten slotte dienen de verworven rechten van de gevestigde werknemers te worden aangepakt. Niet om hen te pesten, maar om de Nederlandse samenleving voor een globaliserende wereld klaar te stomen. En daar worden we echt niet per se slechter van. Wel moeten we tijdig beginnen voordat een een onoverbrugbare achterstand hebben opgelopen met andere landen. Dat betekent dat meer en meer de werknemer veel eigen verantwoordelijkheid zal gaan dragen en niet meer terugvalt op collectieve regelingen. De werknemer zal zelf zijn risico’s inschatten, zich zelf verzekeren waar hij of zij dat nodig acht en bewust zijn arbeid als product in de markt zetten. Zelf investeren in nieuwe kennis en vaardigheden. De moderne werknemer wordt daarmee een ondernemer van eigen arbeid: een nieuw hoogtepunt in de emancipatie van de mensheid!

Dit artikel is eerder verschenen op de website van Ronald Vliegen

0 Reacties

Reageer!

We ondersteunen het gebruik van Gravatars - maak je eigen Gravatar aan en word eenvoudiger herkend op blogs!

XHTML: Je kunt onder andere de volgende tags gebruiken in je reactie: <a href=""> <b> <blockquote> <code> <em> <i> <strike> <strong>