In het rapport van de Commissie Davids over de inval in Irak wordt de maatschappelijke context geschetst waarin destijds de besluitvorming plaatsvond. Onvermijdelijk hierin is de opkomst en moord op Pim Fortuyn in deze periode. In de voetnoten van het rapport is dan ook een verwijzing opgenomen naar Fortuyns boek ‘De puinhopen van acht jaar Paars’ – wat inmiddels volledig op internet te lezen is in de ‘Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren’.
De passages over Fortuyn in het rapport gaan niet direct over het besluit tot de oorlog in Irak als zodanig, maar zijn wel zeer lezenswaardig. Opvallend is dat Pim Fortuyn in deze context niet alleen maar als een ‘one-issue’ criticus van de multiculturele samenleving wordt gekenschetst, maar zijn politieke programma over de volle breedte wordt behandeld. Het Davids-rapport geeft een duidelijke schets van Fortuyns standpunten in De Puinhopen waarmee Fortuyn zijn plaats in de geschiedschrijving krijgt die hij zonder meer verdient. Onderstaand de betreffende passage:
Maatschappelijke context: de publieke opinie en Irak (p. 64)
De Nederlandse discussie over Irak vond plaats tegen de achtergrond van turbulente maatschappelijke en politieke ontwikkelingen. De jaren vóór 2002 stonden in het teken van de ‘paarse’ coalitie van PvdA, VVD en D66, die sinds 1994 Nederland geregeerd had. Deze coalitie was enerzijds bijzonder omdat voor het eerst sinds 1918 christendemocraten in de regering ontbraken, anderzijds omdat PvdA en VVD na decennia van wederzijdse polarisatie samenwerkten. De coalitie mocht zich lange tijd in de kiezersgunst verheugen en tot eind 2001 zag het er nog naar uit dat Paars III in het verschiet lag. De aanslagen van 11 september 2001 in de Verenigde Staten brachten ook in Nederland onrust over de gevaren van radicaliserende moslims. Mede daardoor kwam het integratiedebat in een nieuwe fase, waarbij felle kritiek werd geuit op het ‘softe en tolerante’ overheidsbeleid. Een en ander leidde tot de opkomst van nieuwe politieke bewegingen.
De belangrijkste daarvan was de LPF, met de charismatische Pim Fortuyn als leider. Fortuyn won op 6 maart 2002 op overtuigende wijze de gemeenteraadsverkiezingen in Rotterdam en bezette in één keer 17 van de 45 zetels. Vooral de paarse partijen verloren navenant, ook in de rest van Nederland. Fortuyn zette hierna de opmars naar de landelijke politiek in. Op 14 maart 2002 publiceerde hij zijn boek De puinhopen van acht jaar Paars, dat tevens als zijn verkiezingsprogramma fungeerde. De stelling van Fortuyn was dat Paars de verwachting had gewekt dat er een frisse wind door de collectieve sector zou gaan. Met uitzondering van het beleid op het gebied van de overheidsfinanciën en met betrekking tot het homohuwelijk, euthanasie en abortus meende Fortuyn dat tijdens Paars II vooral niet was geregeerd. Fortuyn stond niet alleen in zijn kritiek op het tweede paarse kabinet. Bij de val van dat kabinet achtten ook 23 hoogleraren brede kritiek op de kabinetten-Kok gerechtvaardigd. Paars I had een vliegende start gemaakt, maar bij Paars II was het elan ingezakt.(1)
Fortuyn hekelde de fractiediscipline en wat hij de ‘elitedemocratie’ noemde. Politiek speelde zich slechts voor een klein deel af in de openbaarheid en voltrok zich vooral via ‘voorgekookt beraad in achterkamertjes’ als het ‘Torentje’ van de minister-president. Het publieke domein en de collectieve sector waren in de visie van Fortuyn verworden tot een ‘meritocratie van ambtelijke en semiambtelijke professionals die zichzelf vernieuwde en aanvulde door coöptatie’. De burger moest weer een stem in het geheel krijgen.(2) Met zijn ‘krachtig herstelprogramma’ deed Fortuyn tal van radicale aanbevelingen op de terreinen van openbaar bestuur, sociale voorzieningen, veiligheid en integratie. Voor de gevestigde politieke partijen was het een ongrijpbaar programma, ook omdat een financiële paragraaf ontbrak. PvdA-leider Melkert en D66-lijsttrekker De Graaf wezen samenwerking op basis van Fortuyns programma af. De lijsttrekkers van VVD en CDA, Dijkstal en Balkenende, toonden zich eveneens teleurgesteld in het programma, maar lieten de mogelijkheid van samenwerking in een coalitie open.(3)
Nog vóór de Tweede Kamerverkiezingen van 15 mei 2002 werd Nederland opgeschrikt door de moord op Fortuyn (6 mei 2002). De moord leidde tot geschokte reacties en een grimmig maatschappelijk en politiek klimaat. Zo werd GroenLinks-fractievoorzitter Rosenmöller, die Fortuyn het nodige politieke tegenspel had geboden, met de dood bedreigd, zodat hij moest worden beveiligd. Hij zou later terugtreden als fractievoorzitter.
Bij de verkiezingen, die werden overschaduwd door de dood van Fortuyn, verloren PvdA en VVD enorm. PvdA-leider Melkert moest het veld ruimen. Het CDA, onder leiding van de net aangetreden politiek leider Balkenende, werd met 44 zetels de grootste partij. De LPF kwam met 26 zetels in de Tweede Kamer. Dit bracht een recordaantal nieuwelingen in de Tweede Kamer.
Vervolgens gaat het rapport in op de kabinetscrises en verkiezingen in deze periode en het Srebrenica-rapport. Concluderend over deze periode ten aanzien van de besluitvorming rond Irak stelt het rapport:
“Binnen deze maatschappelijke context was de aandacht voor vraagstukken van vrede en veiligheid – en daarmee ook voor de Irakoorlog – betrekkelijk marginaal.”
Deze conclusie kan ik onderschrijven, ook in mijn beleving stond in de periode 2002/’03 vooral de binnenlandse politiek centraal. Met de moord op Fortuyn was er immers sprake van de eerste politieke moord in vier eeuwen en de maatschappelijke discussies gingen primair over binnenlandse thema’s – zoals veiligheid en de problemen in de zorg, met name de wachtlijsten. Ook vonden in die periode Provinciale Statenverkiezingen plaats – die per definitie op binnenlandse politiek gericht zijn. Er waren nog genoeg problemen in eigen land die eerst aandacht nodig hadden. De aandacht voor de buitenlandse politiek werd in mijn herinnering en beleving pas echt warmer nadat het besluit tot de inval in Irak eenmaal genomen was.
Al met al blijft het het treurigste dat Pim Fortuyn dit alles niet zelf heeft mee mogen maken. Hij zou op geheel eigen wijze stelling hebben genomen in dit proces en op een veel duidelijkere manier de lijnen hebben uitgezet dan de draaikonten Balkenende en Bos – die voortdurend blijven rondtollen in een psychologisch spelletje met “de wijsheid van toen en nu”.
————————————————————————————————————————————————-
(1) Herman Staal, ‘Hoogleraren over acht jaar paars’, NRC Handelsblad, 20 april 2002.
(2) Pim Fortuyn, De puinhopen van acht jaar Paars, Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren, 2009
(2002), p. 10-11.
(3) Raymond van den Boogaard, ‘Ook in zijn program is Fortuyn ongrijpbaar’, NRC Handelsblad, 13 maart 2003;
‘Afwijzende reacties op boek Fortuyn’, NRC Handelsblad, 14 maart 2003.
Het enige wat de besluitvorming over Irak ernstig bemoeilijkte, waren de coalitiebesprekingen tussen CDA en PvdA. Bovendien werden in maart verkiezingen gehouden voor de Provinciale Staten. Daaraan besteedt de Commissie onvoldoende aandacht. Zij verspilde wel tijd en energie aan een gebrekkige analyse van de Nederlandse politiek in 2002. Zo moeten we lezen dat er kritiek was op de financiële paragraaf van Pim Fortuyn en dat Paul Rosenmöller werd bedreigd. Met hem nog velen, voeg ik eraan toe, maar is dat relevant? Davids concludeert dan dat het kabinet Balkenende I veel nieuwelingen bevatte. Is dat relevant voor de politieke besluitvorming? Juist de nieuwelingen Herman Heinsbroek en vicepremier Roelf de Boer waren kritisch, maar Davids vond het niet nodig de LPF verder te horen. Op defensiegebied was de LPF bepaald geen nieuweling. Met zijn redenering dat politieke onervarenheid een rol speelde, diskwalificeert Davids zijn eigen commissie, die een ontstellend gebrek aan politiek inzicht en militaire kennis toont. Tot de dag van vandaag is het Amerikaanse beleid in het algemeen en dat van George Bush in het bijzonder, niet populair bij het grote publiek. In Duitsland en Spanje wisten de socialisten daar electoraal van te profiteren. Natuurlijk speelde ook de PvdA om die reden de Irak-kaart en wist men daarmee te scoren bij de twee verkiezingen in 2003. Aantonen dat Balkenende een zwakke leider was, dat was altijd de werkelijke opzet. Davids heeft zich voor dat karretje laten spannen. Van mij mag dit kabinet ook verdwijnen. Geen misverstand daarover. Maar niet op grond van hypocriete en rammelende conclusies over volkenrechtelijk mandaat (de PvdA steunde bombardementen op Kosovo, zonder mandaat, om maar te zwijgen over de draai van Klaas de Vries). Of de onzin over te weinig informatie van de MIVD: tot 2006 weigerde GroenLinks deel te nemen aan vergaderingen van de Commissie Inlichtingen & Veiligheid. Of de onzin dat ambtenaren maar drie kwartier hadden nagedacht. Boeit het of ze drie kwartier of drie weken nadenken? De minister is staatsrechtelijk verantwoordelijk en niemand in de Tweede Kamer liet zich leiden door brieven van Buitenlandse Zaken. Alle fracties vormden zich een eigen oordeel. Sterker, de mening van ambtenaren is in ons staatsrecht volledig ondergeschikt aan die van de politieke leiding en het parlement. Bij de vele en felle debatten in de Tweede Kamer heeft naar mijn waarneming geen enkele partij zich laten leiden, laat staan inpakken door een brief van de minister van Buitenlandse Zaken. De gedachte alleen al is potsierlijk en beledigend voor de Tweede Kamer.
Davids c.s. gaat volledig voorbij aan het feit dat een bondgenoot altijd politieke steun heeft, dat is het vertrekpunt. Als je de oorlog illegaal vindt, moet je de ambassadeur terugroepen en de bondgenootschappelijke steun opschorten. Maar dat vond Bos toen niet nodig. Daarmee heeft hij zelf onduidelijkheid geschapen.
Het rapport van de Commissie Davids is een typisch product van de vierde macht, het ambtenarenapparaat dat zichzelf belangrijk vindt. Er zijn voornamelijk ambtenaren gehoord (géén LPF’ers, zoals vicepremier De Boer) en het lijkt wel of ministers moeten luisteren naar hun ambtenaren i.p.v. het omgekeerde.