Demoniserende onderbuikgevoelens van een rechter/hoogleraar

in Column

In een artikel op de website van de Rijksuniversiteit Groningen over de rechtszaak tegen Wilders haalt RUG-hoogleraar Religie en Recht Prof.mr.dr. Fokko Oldenhuis ongemeen fel uit naar Wilders: hij noemt Wilders een “toonbeeld van verwerpelijke intolerantie” en stelt dat Wilders “onmiskenbaar de grenzen van de wet overschrijdt”. Wie verwacht dat deze juridische autoriteit hiervoor overtuigende argumenten of een diepgravende rechtswetenschappelijke analyse aandraagt komt bedrogen uit.

Professor Oldenhuis is onwetenschappelijk aan het raaskallen vanuit een blinde politiek-correcte bevooroordeeldheid. Met steekhoudende juridische argumenten of jurisprudentie komt hij niet op de proppen, hij blijft steken in vage associaties, termen over verwerpelijkheid en vergezochte historische verwijzingen. Zijn stelling dat Wilders “onmiskenbaar de grenzen van de wet overschrijdt” bewijst hij hiermee allerminst. Onbegrijpelijk dat de Rijksuniversiteit Groningen op haar website zoveel ruimte geeft aan een politieke hetze tegen een democratisch verkozen volksvertegenwoordiger.

Op de argumenten die hij noemt valt bovendien nog heel wat af te dingen, allereerst de zogenaamde “pijler onder de Nederlandse samenleving” van Nederland als “gastvrije schuilplaats voor andersdenkenden”. Historisch gezien zijn hier grote kanttekeningen bij te plaatsen, aangezien deze godsdienstvrijheid in de eeuwen na de Unie van Utrecht in de praktijk alleen voor Calvinisten gold. Tot in de 17e eeuw konden het Remonstrantse, Doopsgezinde en Lutheraanse deel van de bevolking hun geloof slechts in schuilkerken beleiden en de Rooms-Katholieken waren daar zelfs tot de komst van de Fransen aan het eind van de 18e eeuw op aangewezen. Voor hen bestond slechts ‘gewetensvrijheid’, buiten de Republiek – in ‘grenskerken’ net over de grens of in zelfstandige katholieke enclaves zoals het Graafschap Megen – genoten zij zelfs meer godsdienstvrijheid en konden zij wél ter kerke. Pas in 1853 konden de Katholieken de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland herstellen, nadat met het  invoeren van de nieuwe Grondwet van 1848 de laatste obstakels hiertoe waren weggenomen.

Ook de Joden kwamen er slecht vanaf in de Republiek: zij waren van de meeste beroepen uitgesloten en in vele steden mochten zij zich niet vestigen of overnachten. Pas in 1796 verkregen zij onder de Fransen burgerlijke gelijkstelling. Er was dus eerder sprake van een ‘pijler onder het Calvinisme’ dan een van oudsher gerespecteerde norm waar Oldenhuis zich op beroept.

Voorts haalt Oldenhuis zijn eigen argumentatie onderuit door te stellen dat Wilders’ voorstel tot het verbieden van de Koran door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens onmiddelijk zal worden teruggefloten. Als dat het geval is dan is de door Oldenhuis bejubelde vervolging van Wilders door de strafrechter niet meer noodzakelijk.

Dan is er nog de uitspraak van Oldenhuis over de vergelijking tussen de Koran en Mein Kampf, hij zegt hierover:

“Dat roept zo zeer associaties op met het ausradieren van een bevolkingsgroep, dat de lijn tussen godsdienst en de mensen als aanhangers van die godsdienst zodanig vervaagt, dat een grens wordt overschreden.”

Op dit punt slaat Oldenhuis de plank volledig mis en lijkt hij Wilders uitspraak totaal niet te begrijpen: waar het Wilders om gaat is dat de Koran net als Mein Kampf tot geweld kan oproepen als deze letterlijk wordt geïnterpreteerd en Mein Kampf om die reden ook verboden is; daarbij gelet op het feit dat vele fundamtalistische moslims er al een letterlijke lezing van de Koran op nahouden. Oldenhuis geeft echter niet aan op welke gronden de grens tussen godsdienst en de aanhangers daarvan wordt overschreden, slechts een vage associatie met het ‘ausradieren van een bevolkingsgroep’ – wil hij hiermee suggereren dat Wilders daar ook op uit zou zijn? In de daarop volgende alinea maakt Oldenhuis wel een verkapte vergelijking tussen Wilders en de opkomst van het Nazisme, door te stellen dat het “veelzeggend” is dat de wetsartikelen op grond waarvan Wilders vervolgd wordt in 1934 zijn ingesteld als reactie op de machtsovername van Hitler:

“Oldenhuis roept in herinnering dat de strafbepalingen over haatzaaien, in 1934  in de wet werden opgenomen om met name joden te beschermen, als reactie op gebeurtenissen in Duitsland. “Dat is veelzeggend”, betoogt Oldenhuis. “Ik ben voorzichtig met het trekken van parallellen, maar het ontstaan van die wetten had een duidelijke politieke achtergrond.”

Het mag duidelijk zijn dat hier sprake is van een hoogleraar die vooral zijn politiek-correcte onderbuikgevoelens aan het spuwen is. Kwalijk is echter dat Oldenhuis niet alleen hoogleraar is, maar ook rechter bij de rechtbank in Groningen. Door zich zodanig uit te laten over een volksvertegenwoordiger – een onderdeel van de wetgevende macht – overschrijdt hij als rechtsprekende macht de grenzen van de scheiding der machten. Opmerkelijk, aangezien rechters vaak om dezelfde reden op hun achterste poten gaan staan wanneer kamerleden zich uitlaten over rechtszaken. Bovendien laat hij zich uit over een zaak die nog onder de rechter is – wat voor een rechter niet gepast is.

Eerder noemde hij het voorstel van Wilders om de Koran te verbieden al “knettergek” (*) en deed hij kamervragen van de PVV over sharia-rechtbanken af als “Wildersmania”. Overigens voor wat deze sharia-rechtbanken betreft houdt Oldenhuis er een bedenkelijk standpunt op na: hij accepteert toepassing van de sharia voor interne geschilbeslechting binnen de moslimgemeenschap, omdat de voetbalwereld en Christelijke kerken ook zelfregulering kennen:

“Het beginsel van scheiding van kerk en staat betekent dat voor de staat alle kerken  gelijk dienen te worden behandeld. Ook de moslimgemeenschappen hebben dus recht op deze vrije ruimte tot geschiloplossing, mits zij zich houden aan de regels die de Nederlandse rechtsorde stelt. Voor de schaduwkanten van de sharia is geen plaats! Noch binnen interne geschilbeslissing noch daarbuiten. Met verwijzing naar Maurits Berger, merkt Oldenhuis op, dat dé sharia niet bestaat. Ten onrechte wordt sharia (‘de weg van God, vastgelegd in de Koran’) vereenzelvigd met een systeem van lijfstraffen, zoals amputatie of steniging. Sharia betekent voor vele moslims echter niet meer dan leven overeenkomstig religieus getinte regels in de stijl van de christelijke Bergrede.”

Oldenhuis steeds weer terugkerende vergelijking met het Christendom is naïef en cultuurrelativistisch – de Christelijke religieuze regels hebben immers geen wereldlijke werking. Wat hij buiten beschouwing laat is dat binnen de islamitische gemeenschap de sharia wél als één geheel wordt geïnterpreteerd – inclusief de schaduwkanten – en deze regels wél een wereldlijke werking kennen, daar de islamitische cultuur geen scheiding van kerk en staat kent. Daarom is het zorgwekkend dat een rechter en juridische autoriteit de invoering van de sharia deels accepteert en daarmee de deur niet alleen op een kier zet, maar wagenwijd open zet voor de toepassing van héél de sharia. Nog zorgwekkender is het dat deze rechter de scheiding der machten niet respecteert en op slinkse wijze demoniserende opmerkingen maakt over een democratisch volksvertegenwoordiger. Fokko Oldenhuis toont zich hiermee zélf het ‘toonbeeld van verwerpelijke intolerantie’.

 

 

(*) Universiteits Krant Groningen, 24 januari 2008

3 Reacties

3 Reacties

  1. Moet als eerste opmerken dat de term “gastvrije schuilplaats voor andersdenkenden” volstrekt misplaatst is als men over moslims spreekt.
    Prof.mr.dr. Fokko Oldenhuis probeert hier een link te leggen tussen de franse Hugenoten en moslims nu.
    De Hugenoten waren net als de Nederlanders Protestanten. In (buurland) Frankrijk werden ze uitgemoord door de Katholieke machthebbers, waarop ze naar protestant Nederland kwamen. Hoezo zou in dat opzicht Christelijk Nederland een “schuilplaats” voor moslims uit moslimlanden zijn???

    Moet zeggen dat de Nederlanden met de 80-jarige oorlog terecht de spaanse koning met zijn inquisitie c.q. de (politieke-)macht van de Katholieke Kerk, de deur uit hebben gezet. Willem van Oranje en Maarten Luther waren daadwerkelijk voorstanders van de vrijheid van Godsdienst. (Hierbij kan ik o.a. verwijzen naar het feit de Willem van Oranje en Maarten Luther beiden de “beeldenstormen” hebben veroordeeld.)
    Helaas heeft Willem van Oranje het eind van die oorlog, en dus de tot stand koming van de Unie van Utrecht niet mee mogen maken. Hierbij ontken ik niet dat de protestanten in de eerste tijd van de Unie van Utrecht fouten hebben gemaakt.

    In tegenstelling tot Christenen in moslimlanden worden moslims hier niet vervolgd.
    Maar waarom zou de verwerpelijkheid van de Koran niet aan de kaak mogen worden gesteld, terwijl een identiek boek als “Mein Kampf” verboden is?

  2. G.Deckzeijl

    Algemene oproep: typ de volgende brief over in Word, zet uw handtekening eronder(maak een kopie voor uzelf),
    doe ‘m in een envelop en stuur ‘m zsm aangetekend op naar het adres bovenaan de volgende webpagina.
    http://www.hetvrijevolk.com/?pagina=10095
    En de brede beweging in de volgende PDF moet nog veel BREDER worden!
    http://tinyurl.com/yfw36dc

  3. Daniëlle de Winter

    Amen!

Reageer!

We ondersteunen het gebruik van Gravatars - maak je eigen Gravatar aan en word eenvoudiger herkend op blogs!

XHTML: Je kunt onder andere de volgende tags gebruiken in je reactie: <a href=""> <b> <blockquote> <code> <em> <i> <strike> <strong>